Dressuur – wetenschappelijk onderzoek

Dressuur – wetenschappelijk onderzoek

Door Bruno Heremans

10007311_684522068273073_1131998024_o

Als op een water veel gevist wordt, dan wordt het op den duur moeilijk om nog een vis te vangen. Ook als er nog genoeg vis zit. Het lijkt dan alsof de vissen slimmer worden. Dat noemen we dan dressuur.

Maar hoe werkt dat juist? Worden vissen echt slimmer? Kunnen we daar iets aan doen?

In Amerika is alles groter. En de budgetten voor wetenschappelijk onderzoek ook. Daar hebben ze 14 jaar lang een populatie zwartbaarzen bestudeerd, en een paar heel opmerkelijke conclusies getrokken.

Het experiment ging als volgt:

Ze begonnen op zwartbaarzen te vissen vanuit 2 meren. Eén meer was bijna een eeuw eigendom geweest van een waterzuiveringsbedrijf, en dus onbevist. Het andere meer was openbaar water, en sterk bevist.

Alle jonge zwartbaarsjes werden geïdentificeerd met een nummer en naar een kleine vijver gebracht. Daar werd dan een aantal jaren (Catch-and-release!!) gevist, en elke vangst werd genoteerd.

Het resultaat?

Grote variatie in het aantal keer dat een bepaalde vis gevangen werd. Sommige vissen werden NIET gevangen, anderen wel tientallen keren, en de meeste een paar keer. Dat is conclusie 1: er zit veel variatie op vangbaarheid. Karpervissers weten dit ook.

Conclusie 2:

de ‘wilde’ vissen zijn beter vangbaar. Dat was heel duidelijk. Dus dressuur is echt.

Maar er was nog een derde conclusie: door de vissen in een afgesloten meettank te zetten, konden ze meten dat de meer vangbare vissen een hoog metabolisme hadden. Meer specifiek: hun metabolisme in rust is hoger. Om een analogie te maken met de mensenwereld: nerveuze types zijn beter vangbaar dan tamzakken.

Maar tamzakken zijn doorgaans dikker. Dat is in de vissenwereld en in de mensenwereld zo.

Dat is wel pech hé: de dikste vissen zijn het moeilijkst vangbaar. Wetenschappelijk bewezen.

Maar daar zijn de wetenschappers niet gestopt, dit duurde geen 14 jaar. Wat ze toen gedaan hebben, is briljant.

Ze hebben de meest vangbare vissen eruit genomen, en gekruist. En hetzelfde gedaan met de minst vangbare vissen. En dan de kleine visjes grootgebracht, heel het experiment herhaald, en dan nog eens herhaald met de kleinkinderen van de originele vissen. Vandaar dat ze 14 jaar bezig zijn geweest.

De conclusie hiervan: vangbaarheid is erfelijk!

De kinderen van 2 moeilijk vangbare ouders, waren nog moeilijker vangbaar. En de kleinkinderen van moeilijk vangbare ouders en grootouders, waren super-super moeilijk vangbaar. En het omgekeerde was ook waar, met de gemakkelijk vangbare vissen: de kleinkinderen van gemakkelijk vangbare vissen, waren super-super makkelijk vangbaar.

Dus: vangbaarheid is genetisch. Het zit ingebakken.

Wat zijn we daar nu mee als vissers en als natuurvrienden? Niet heel veel. Het is tof om weten.

MAAR! Er is zijn nog vervolgstudies geweest. Uit een andere studie is gebleken dat de gemakkelijk vangbare vissen, dus de nerveuze types, betere ouders zijn. Ze steken meer energie in het bewaken van hun nest en het flapperen van de vinnen om zuurstofrijk water over de eieren te waaieren. Ze brengen ook meer jongelingen voort.

Dus: het zijn de vangbare vissen die je nodig hebt om een dunne populatie te redden.

Dat is wel wetenswaardig. En het pleit ook voor een verbod op panvisserij tijdens de paaitijd, want de meest vangbare vissen zijn de belangrijkste op dat moment. En hoe slechter de visstand, hoe belangrijker.

Catch-and-releasegewijs is er weinig aan de hand: nestbewakers die snel teruggezet worden ,kunnen vrijwel altijd kun nest terugvinden en de bewaking verderzetten. Het enige dat soms gebeurt, is dat nestrovertjes er soms snel bij zijn om een paar eieren te pikken.

Bronnen en literatuur:

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4454643/

http://fishlab.nres.illinois.edu/Documents/PhilippEtAl_BassBook_2015.pdf

http://fishlab.nres.illinois.edu/Reprints/TAFS%20Suski%20and%20Philipp.pdf